Voor de oorlog
1914-18 en nog daarna kende het wagenspel een grote
bloei. Bij elke inhuldiging, bij feestelijke
gelegenheden, kermissen enz, kwam het wagenspel erbij
te pas. Oud en jong werkte dan onbaatzuchtig samen, om
iets moois, iets ernstigs of koddigs uit te beelden op
een wagen. Zo werd dan weken voor datum, alle vrije
tijd besteed aan het optimmeren en versieren van een
wagen en er werd heel wat gerepeteerd voor het
opvoeren van het spel. Allerlei onderwerpen kwamen aan
bod en werden met ware kunst uitgevoerd. Eens de grote
dag aangebroken was reden deze wagens, getrokken door
prachtige boerenpaarden, door het dorp. En er was
steeds grote bijval. Dit schone volksgebruik is wel in
vergetelheid geraakt maar toch niet uitgestorven en
kent nu in onze moderne tijd wel enige heropleving.
Wij willen het hier hebben
over de vroegere wagenopvoeringen,
zo waren er
ook vele jaren
lang te Zogge koddige en ernstige
wagenspelen. Het was de goede oude tijd, men was
tevreden met zijn lot, men bekeek alles humoristisch
en er was meer onbaatzuchtige samenwerking dan nu, en
zo was er dan ook meer ware feestvreugde bij kermissen
en andere gelegenheden. De wagenspelen waren daarvan
een weerspiegeling.
Carnaval
Voor de oorlog 14-18
was er reeds met carnaval een koddig wagenspel. De
bolmaatschappij (verkensgilde genaamd) was dan van de
partij met een wagen, waarop pannenkoeken en
smoutebollen werden gebakken, waarbij steeds een
passend carnavalslied werd gezongen, gecomponeerd door
de Zogse volksdichter Aloïs Baert, in de volksmond
Wiesken Baert genoemd. Van deze Zogse volksdichter
zijn nog meerdere liedjes gekend, die wij in een
volgend nummer zullen bepreken. Verder stond er met
septemberkermis, en wel op kermiswoensdag een koddige
wagenspelstoet op het programma. Zogge was in die tijd
dan ook kilometers in de omtrek gekend om zijn zin
voor volkshumor en humoristische volkstypen.
Kermiswoensdag
Op kermiswoensdag
was er dan ook steeds een massa volk van einde en
verre voor de stoet. Reeds weken voordien was het in
elke straat, maatschappij en groep heel druk en werd
er onbaatzuchtig gewerkt aan wagens en andere koddige
uitvoeringen. Al de beschikbare vrije tijd werd
gebruikt om iets voor kermis te verwezenlijken.
't Houten muziek was
ook druk in de weer en pakte steeds uit met koddige
zaken. Zo was er dan in de jaren 1930 het wagenspel
"De boeren van Olen", in samenwerking door leden van
't houten muziek opgetimmerd. Vermelden wij in 't
bijzonder de onbaatzuchtige medewerking van de
dorpstimmerman Achiel Goossens, verder Jerome
Vercammen, Livien Quintelier, Cyriel
Vercammen, Stefaan de Rus, René Van Avermaet, Albert
Vercammen en andere leden van 't Houten muziek.
Op de wagen werd de
gemeenteraadszitting te Olen voorgesteld, voor de
ontvangst van keizer Karel die een bezoek had
aangekondigd. Op de wagen kwam ook het aanbieden van
het bier in. een pot met één, dan twee, en tenslotte
drie oren ter sprake, steeds zonder resultaat, en
tenslotte was ook besloten de keizer rijstepap aan te
bieden, daarvoor was een ketel rijstepap op de wagen
aanwezig die werd uitgeschept op teljoren. De heren
burgemeester, secretaris en leden, moesten dan ook
repeteren op welke manier deze rijstepap moest
aangeboden worden. Bij al deze repetities kwam het tot
hevige discussies, wie deze rijstepap moest aanbieden,
hoe, en op welke manier. Deze eenvoudige boeren van
Olen, niet van de slimste, konden dan ook niet tot
overeenstemming komen, en met de rijstepap werd dan
ook wel wat gesold.
Tenslotte kwam het
tot een gevecht met rijstepap, en ja, de uitvoerders
die wel al wat hadden gedronken, waren nogal
voortvarend en flapten elkaars teljoren rijstepap in
het aangezicht, zodat die langs hun oren afdreef.
Natuurlijk was alles zo gepland. De burgemeester
klopte luidruchtig met de voorzittershamer op tafel om
zijn raadsleden tot bedaren te brengen, maar helaas,
het baatte niet, en men ging zover dat men met de hand
de rijstepap uit de ketel gapte, en er mee naar elkaar
gooide. Maar met dit gooien kwam de rijstepap ook
verder dan de wagen, en kwam in de menigte terecht. Er
werd uitbundig gelachen, maar de een en de ander kreeg
zo een handvol rijstepap op zijn beste kostuum, en die
lachten dan maar groen. Ook de goede Hamse Pieter de
champetter, die de lachende menigte in bedwang moest
houden, kreeg een portie rijstepap op zijn uniform, en
keek dan ook maar sip, maar dat was het sein voor de
menigte om te lachen, want met die rijstepap pladaster
op zijn uniform was hij net een Amerikaanse sheriff
met ster. De burgemeester deed intussen verder zijn
best om zijn raadsleden te kalmeren, deze waren echter
niet meer te bedaren, en tenslotte kreeg de
burgemeester de hele rijstepappot over het hoofd,
zodat hij niets meer zag, en de rijstepap van zijn
klederen afdreef. Dat was het einde van het
wagenspel, en tussen een lachende en gierende menigte,
waaronder enkelen goed gedecoreerd, reed de wagen
verder. Zeker was alles zo gepland, maar door het vele
drinken liep alles wel wat uit de hand, en ging het er
wel wat luidruchtig toe, tot groot jolijt van de
duizendkoppige menigte.
Een ander koddig
geval kwam eveneens rond de dertiger jaren in stoet.
In die tijd waren er wel nog kleine landbouwers met
kruiwagen en ook een handkar. Zo ook had Jef Loo (Jef
Moonen) voor het boerenbedrijf een grote handkar. Deze
handkar was juist het gerief van de vrienden Theofiel
De Vlieger, Zogse humorist, en tevens
directeur-kapelmeester van het het houten muziek in
die tijd, Jef Loo, de kareigenaar, en nog twee
anderen, en dan de grote vedette van het op te voeren
spel, Philemon Ronsman (in de volksmond Den Tisse).
Wel, op deze grote handkar was; een zetel geplaatst,
met een tafeltje waarop een valies stond met alle
gerief in, zoals nijptang enz.
In de zetel zat "Den Tisse" met een grote doek,
opgevuld met watten, om het hoofd, te huilen van
tandpijn. Achter het tafeltje zat Theofiel De Vlieger,
met een bril zonder glazen en een witte stofjas. De
andere trawanten waren vermomd als paarden met halster
en trokken de kar voort. Theofiel spoorde hen dan met
koddig gedoe aan om harder te trekken.
De kar op zichzelf was wat versierd, en een groot
paneel vermeldde in blokletters: "TANDMEESTER
ZWINGELIJN TREKT TANDEN ZONDER PIJN".
Tijdens de rondrit
door de straten van Zogge, deed tandmeester Zwingelijn
(Theofiel De Vlieger) het voorbereidend onderzoek van
zijn klant (Den Tisse). U kunt zich best inbeelden hoe
dat er aan toe ging! Dit onderzoek op de hobbelende
kar, was nogal hardhandig, en liep ook wel wat uit de
hand, zodat den Tisse niet alleen huilde om de
ingebeelde tandpijn, maar ook om het hardhandig
onderzoek, dit alles tot groot jolijt van de
toeschouwers. Uiteindelijk arriveerde de handkar voor
de tribune, waar dan de uitvoering kwam van het tanden
trekken zonder pijn. Met veel omhaal opende Fiel zijn
valies met gereedschap, waaruit hij eerst een grote
vijl opdiepte.
Den Tisse, die nog steeds luidop huilde, moest volgens
Zwingelijn zijn grote bakkes openen, om er met de vijl
in te werken.
Dan nam tandarts Zwingelijn een kleine nijptang
waarmee het ogenschijnlijk niet lukte om de tand te
trekken. Dan maar een grotere tang genomen, evenmin
zonder resultaat. Vervolgens diepte Zwingelijn een nóg
grotere tang uit de valies op, en toog daarmee aan het
werk. Zwingelijn plaatste dan een voet op de borst van
den Tisse en trok uit alle macht. Met al dat krachtig
trekken en duwen viel Zwingelijn ineens achterover op
de kar, met de tang in de hand en toen meester
Zwingelijn weer overeind kwam met de tang in zijn
hand, stak er waarlijk een grote paardentand tussen en
toonde de tandmeester deze buit triomfantelijk aan het
publiek. Onze lijdende Tisse was verlost van zijn pijn
en danste op de kar van vreugd terwijl de dicht
opeengepakte menigte het uitgierde van plezier. Wij
allen kennen Theofiel de Vlieger nog, en wij kunnen
ons voorstellen hoe het er aan toe ging in zijn jonge
jaren!
Meerdere andere
koddige wagens waren toen van de partij. Dit is maar
een greep uit de vele uitvoeringen.
Zo was er de Kerkstraat die ook altijd aan bod kwam.
Daar waren het de verenigde kermisvrienden met Willem
D'Hooghe, Hubert Cornu, Jozef De Wilde, Charles
Peelman, Frans en Domien De Wilde, Hektor Vercauteren,
Louis Van Broeck, Arnold Baert en vele anderen, die
telkens met een wagen van de partij waren.
Ook het houten
muziek was er steeds bij om iets op te voeren evenals
de andere straten, Molenstraat, Blauwenhoek, midden
Zogge en de rijken Hoek, dat was de kant van de baan
naar St.Anna. Niemand liet zich onbetuigd, ook groepen
uit het omliggende kwamen soms optreden.
In die tijd was er nog echte volkse leute, en Zogge
was erom gekend. Over deze wagenspelen schrijven we in
volgend nummers nog meer.
Tijdens de stoet van
kermiswoensdag werden er ook
aangepaste koddige liedjes gezongen. En bij elke
koddige of ernstige gebeurtenis was de dorpsdichter er
als de kippen bij om een ernstig of een spottend lied
op te stellen.
Duiven
Het duivenspel was
te Zogge in volle bloei, en gevestigd bij Benoni De
Wilde (den Binne) in de Kerkstraat. Baas Benoni was
een waar rekenfenomeen, einde en verre gekend om. zijn
stiptheid en juiste berekening bij het opstellen der
uitslagen. Het was daar dan ook steeds een
bedrijvigheid van belang, er waren toen nog geen
auto's zoals nu, en alles ging te paard, per fiets of
te voet.
Er kwamen toen nog veel duivenliefhebbers van
omliggende dorpen hun duiven binnenbrengen in een
wijmen duivenkorf (korf) gedragen met een gebogen
stok. Deze gebogen stok werd over de schouder
gedragen, en waren zo gegroeide stokken, die men zocht
in struiken en bomen.
De meesten kwamen in die tijd met de fiets en bij
belangrijke wedstrijden stonden er aan het lokaal en
in de straat honderden velo's.
De kinderen waren er als de kippen bij om een centje
te verdienen, en op die drukke dagen waren ze er, en
als de 'duivenmelker' aankwam, snelden de kinderen
naar hem toe, om te vragen of zijn velo mochten
gadeslaan, en zo was de duivenmelker meteen door een
schare kinderen omringd. Hij vertrouwde zijn fiets aan
één van hen, die hem plaatste
bij de andere fietsen waarop hij paste. Deze jongens
hadden dan elk zo soms wel een 20 à 30-tal fietsen op
te passen. Wie zijn fiets terug kwam halen gaf aan de
jongens wat drinkgeld, en zo verdienden deze rakkers
heel wat. Bij een grote wedstrijd werd vaak de school
verzuimd om fietsen op te passen.
Kloppen met klompen
Tijdens de drukke
dagen was er grote naijver onder het jonge volkje
en vaak kwam het dan ook tot
discussies en vechtpartijen, die soms erg konden zijn,
want de rakkers in die tijd waren duchtig gewapend,
zij droegen immers houten schoenen, en bij
vechtpartijen greep men deze klompen om ermee op
elkaars hoofd te slaan , Menige rakker kwam dan ook
uit het gevecht met blauwe plekken of een gezwel op
het hoofd, of.. met een gebroken klomp.
Ons volkje kende op een draadje de goede
klanten-fietsers die veel drinkgeld gaven, en om deze
kwam vaak ruzie.
De fietsers kenden de goede oppassers, en die hadden
dan ook de meeste klanten.
Als er al eens duivenliefhebber kwam met de auto, dan
troepte het jonge volkje samen rond het voertuig om
deze binnen en buiten goed te bekijken, want dat was
toen een wonder!
Er waren nog niet zoveel auto's als nu.
n die tijd bracht de duivenmaatschappij en de piste
heel wat leven en beweging in Zogge, dit kwam ten
goede aan herbergen, caféhouders en neringdoeners. Er
waren zo maar eventjes 30 cafeetje in die tijd, die
samen meer bier verkochten dan de zeven overblijvende
nu. En aangezien er nog niet zoveel auto's waren, was
men voor het duiventransport aangewezen op paarden en
'ijzeren weg', en moest den Binne, lokaalhouder en
secretaris der maatschappij zorgen voor het vervoer
der duiven naar het station. Zo is er dan met deze
vervoerkwestie een grappige gebeurtenis geweest, die
ik hier wil vertellen.
Jerome Vercammen
met medewerking van Jules Bogaert.