Een artikel, overgenomen uit het tijdschrift "Ons
Dorp". Deze artikels
worden gepubliceerd met het akkoord
van de nabestaanden van Dhr. Jerome Vercammen.
Na het oogsten
In ons vorige nummer beschreven wij het zaaien, oogsten, en drogen.
Eens het vlas zo gereed gekomen, wachtte het in de opslagplaats om van zijn vezels te
worden ontdaan. Met het vlas ging het in zaak om de vezel.
Dit was een tijdrovend en zwaar werk.
Er waren velen die van; het vlasbewerken hun beroep maakten, maar op bijna elke hoeve, groot of klein, werd aan vlasbewerking gedaan.
Bijzonder in de
winter als er weinig werk op het veld was.
Bookhamer
Omtrent 1880-1890 geschiedde dit het vlas van de vezels ontdoen als volgt:
Het droge vlas werd opengespreid op een harde vloer. Deze vloer was niet zoals nu in beton of zo, maar een plaats met speciaal bewerkte kleemgrond en
vast aangestampt. Men noemde dit de dorsvloer. Deze kwam meestal voor in de schuur, voor de bewerking van graanvlas enz. Eens het vlas opengespreid, werd
het met de bookhamer werkt. (deze bestond uit een zware getande houten blok,
voorzien van een gebogen steel van ongeveer 1 meter) Met
deze bookhamers werd met kracht op het droge vlas geslagen om de stengels te breken. Met de boekhamer werken vergde oefening en kennis. Den moest de gebogen
steel, terwijl men er krachtig mee sloeg (bookte), door de hand laten glijden,
zodat de getande blok steeds plat op het vlas terecht kwam. Wee hem, die niet
volgens de regels tewerk ging! Dan kwam de bookhamer met kracht tegen de
bediener zijn schenen terecht, en wees ervan overtuigd, deugd deed dat niet Er
zijn destijds meerdere beenbreuken met de bookhamer geweest !
Het kapbord
Eens de vlasstengels degelijk gebroken, ging dit gebookte vlas naar het
kapbord. Dit kapbord was een zware plank van omtrent 1,2 à 1,40 m hoog, met ter hoogte van 1,10 meter een grote inkeping.
Deze plank was
vastgemaakt op een zware houten voet, zodat ze stevig vast stond.
Door de inkeping werd
dan een handvol gebookt vlas gestoken: Hierop werd dan met een kapbord gekapt en
geslagen, zodat de gebroken stengels van de vezel afsprongen.
Er werd gekapt en
geslagen tot het laatste stukje vezel weg was.
Zo had men dan een handvol zuiver vlas, en per handvol werkte men verder.
Deze bewerking gebeurde in slecht verluchte stallen, met veel stof en tot 's avonds laat,
bij kaarslicht en vetolielampen, want er was zelfs nog
geen petroleum, men werkte zo goed als in het half
duister.
Mannen en vrouwen hielpen aan dit werk mee.
Later kwamen dan de stallantaarns met petroleum in
gebruik, en dit was reeds een grote verbetering.
Lemen
De verwijderde stengels waren dan in
kleine stukjes van 1 cm lang. Deze afval noemde men
"lemen". De lemen waren zeer brandbaar, en werden dan
ook als brandstof gebruikt in open haarden, en om
dierenvoeder warm te maken, ook om de ovens warm te
stoken werd er gebruik gemaakt van
lemen.
Lemen werden dan ook verhandeld als koopwaar. In de
oude open haarden, die toen in alle hoeven en huizen
aanwezig waren, werd veel met lemen gestookt. Men was
hierin zeer bedreven : in de schouw maakte men een
berg lemen, met middenin een opening. die berg brandde
zonder moeite helemaal op langs de opening. Later, bij
de opkomst van de Leuvense stoven, werden de lemen
gebruikt om kolen te sparen. Men ging als volgt te
werk: een ronde metalen pot, van 60 cm hoog, en een
doorsnede gelijk aan die van de stoofopening, werd met
lemen gevuld en vast aangestampt. De pot werd dan
omgekeerd op de opening van de reeds brandende stoof
gezet. De pot lemen brandde zonder moeite totaal uit,
en door de trok kwamen de vlammen in stoofpot en -buis
terecht. Deze leemverwarming was bij koude dagen zelfs
doeltreffender dan kolen, en was zeker veel goedkoper.
Ook de metsers gebruikten veel lemen, om te verwerken
in mortel voor het bepleisteren van de muren.
Over kammen, stenen, poppen en
bussels
Het moeizaam gezuiverde vlas kreeg
dan nog extra bewerkingen. Het werd uitgekamd met speciale houten en metalen kammen, zodat de korte vezels eruit gehaald werden, en enkel goede en even lange vezels
overbleven. Deze bewerking noemde men "vlas opdoen". Het
zo bewerkte vlas plooide men samen in grote strengen "poppen vlas"
genoemd. Dan werden zo 9 poppen samen in een bussel gebonden. Een dergelijke bussel noemde men "steen''.
Een steen vlas woog ongeveer 3 kilo. Deze vlasstenen werden dan in grote balen, vlaszakken, gedaan. Zo een baal
vlas, woog met zak erbij 101 kg. Wanneer het aldus verpakte vlas moest vervoerd en verhandeld worden, kwamen er
sterke mannen aan te pas, Er was niet alleen het gewicht, maar ook het
volume, zo een baal was wel 85 cm hoog, en 50 cm breed. Er waren 2 mannen nodig
om de baal op te tillen, en op de rug van de sterke dragers te plaatsen. Daarvoor gebruikte men ijzeren haken, met
20 cm haak en handvat, die men in de balen pikte om ze met mankracht op te tillen.
Heden gebeuren dergelijke zaken met allerlei moderne hijskranen, en is
het zware werk uitgesloten. Dat was het dan voor het afgewerkte vlas.
Over klodden, kutsers en
kloddezakken
Maar, wat gebeurde er met het vlasafval? Deze
afval noemde men "klodden". Men onderscheidde fijne en ruwe klodden. De kleinere
opkopers gingen bij de vlasbewerkers het
ruwe afgewerkte vlas opkopen, en werkten het zelf verder af. 't Is te zeggen, zelf opdoen in
poppen, stenen en balen. Dit soort opkopers noemde men "kutsers".
Dan
waren er de grotere opkopers, die hun kopen deden bij de kutsers. Deze
opkopers waren al hele pieten, die zich grote heren waanden. Ze
waren steeds op stap met een wandelstok, zoals het toen mode was. Ze
werden dan ook de mannen met de stok genoemd.
Onze
vlashandelaars waren er als de kippen bij om
allerlei commerciële
trucs aan te wenden, om de hoogste prijs voor hun afgewerkt vlas
af te dingen. Zo hield men bij het vlas opdoen de schoonste
strengen opzij, en de bussels die daarvan gemaakt werden plaatste men boven in de vlaszak. Men
noemde dit de bovenstenen. De opkopers keurden streng het hen aangeboden vlas, want ook zij kenden de trucs.
Zo
waren er ook de kloddenopkopers. Voor onze streek waren dat meestal Zelenaren. De Zelenaren hielden er de bijnaam "kloddezakken" aan
over.
Met vlas en klodden was er veel bedrijvigheid te Zogge en in de omliggende
dorpen. Bij zonnig weer zag men overal tegen de muren het vlas opengesperd staan, omdat het vlas
gemakkelijker bewerkte als de zon er
fel op geschenen had. De vezels kwamen dan gemakkelijker los van de
stengels.
De 33 herbergen in ons dorp vaarden er wel bij. Kopers en verkopers
dronken op de goede of slechte koop menig glaasje Zeelse ouden, en bij
een goede koop kwam er wel eens een rondje aan te pas. Stel
u voor, 33 herbergen die allen goede zaken deden. Nu zijn er maar
6 meer. Als we ons het dorpsleven van vroeger trachten voor te stellen, dan
kunnen we wel zien dat het leven van toen ook zijn
vrolijke kant had, De mensen waren niet zo gejaagd, en
meer tevreden in hun zogezegde armoe, dan nu in onze
tijd van weelde en comfort. Tenslotte is het leven
niets anders dan een tevredenheid om gelukkig te zijn.
Met dit artikel is dan het eerste hoofdstuk van de
vlasbewerking afgesloten, maar hiermee is de kous nog
niet af. Nu komt het 2de bedrijf, het begin van de
mechanisatie. Dit is dan voor volgend nummer.
door
Jerome Vercammen.
Nog enkele spreuken en gezegdes aangaande het vlas:
-
1.
Als ik was Jong en schoon, droeg ik een blauwe of witte kroon
2.
Als ik was oud en stijf, kreeg ik veel slagen op mijn lijf
3.
Als ik die slagen had verdragen, werd ik door iedereen gedragen
4.
Als ik was versleten, werd ik ter schole gebracht en beschreven
Dit
is de geschiedenis van het vlas in raadseltaal,
1. Vlasbloempjes zijn wit of blauw
2. Na de oogst komt de vlasbewerking
3. Dan werd het vlas geweven, en verwerkt tot kledingstukken
4. Eens de klederen versleten, werden de vodden bewerkt tot papier, en in
scholen enz. beschreven.
-
God gaf ons geen linnen,
maar vlas om te spinnen.
-
Iemand een vlassenbaard aan doen..
Dit betekent iemand leugens wijs maken. Een baard in
vlas is ook vals.