Een artikel, overgenomen uit het tijdschrift "Ons
Dorp". Deze artikels
worden gepubliceerd met het akkoord
van de nabestaanden van Dhr. Jerome Vercammen.
Er word nu met het strenge
winterweer wel eens gezegd dat het
nog eens een echte ouderwetse winter is. Welja,
het is wel enkele jaren geleden dat wij nog zulke
winter hadden. Vóór 30
à 40 jaar waren het
nog zulke echte winters, en lag omzeggens elk jaar de
Moernen dichtgevroren. De Moernen, dat waren Zogse
moerassen, des winters een grote watervlakte zonder
bomen of struiken, het was een prachtig ijsveld. Er
was dan ook telkenjare voor oud en jong veel ijspret.
Men kwam zelfs van ver naar de Moernen, want deze
ijsvlakte was goed gekend. Ja, eens de Moernen
vastgevroren, was het kermis te Zogge. Men vergat de
koude en de wintermiserie, om zich op de Moernen met
ijspret uit te leven.
Nu is dat zeker zo nier meer. De
ijsvlakte is tot een minimum herleid, er zijn bomen en
bossen geplant, visputten gegraven enz. Destijds
inzonderheid de jongens en meisjes waren er als de
kippen bij met ijsstoel en schaatsen. Het jong gespan
zocht dan elkaar, en dan ja, was er nog 't GIERKEN.
Dat was zowat een afgelegen plaats in de Moernen met
wat struikgewas, en daar kwam het jonge volkje graag
bijeen om. over liefde te spreken.
En ja, 't is echt gebeurd, zo rond
de jaren 1930. De Moernen waren prachtig
dichtgevroren, en met het vallen van de avond troepten
jonge verliefde schaatsers in 't Gierken samen. Rond
de ijsstoelen van eveneens verliefde meisjes, en elke
schaatster wilde eens de ijsstoel (slede) van de
meisjes voortduwen. Maar, er was nogal wat naijver, en
zo stonden ze dan wel dicht opeen gepakt, en tussen
het struikgewas was het toch niet zo hard gevroren.
En ja, het gebeurde: het scheurde,
kraakte, en daar zaten alle verliefden het water in.
De Moernen is wel nier zo diep om te verdrinken, maar
diep genoeg om tot de borst erin te zinken. En zo was
dan terstond alle liefdesvuur gedoofd, en was het één
geploeter om. uit de miserie te komen.
Dit natte liefdesbad
liep dan als een vuurtje rond Zogge, en de grapjassen
als Fiel De Vlieger, Leonard Quintelier en Jules
Bogaert waren snel naar de Roste Mandus, de
dorpsdichter, getogen, die er prompt een passend
liedje op had gevonden, waarmee dan Fiel De Vlieger en
C° als minnezangers rond het dorp togen, en deze
liedjes met veel humor en grappen verkochten. Deze
verkoop had dan ook veel bijval, en het ging er bij
het harde winterweer lustig aan toe te Zogge.
Hier dan het beruchte liedje, dat in
geuren en kleuren het eerst warme, en daarna koude
gebeuren beschrijft.
DE RAMP OP HET IJS
in de Moerne wijze: boemlala .
-
De Moernen lagen hard,
De meiskes vol van min
En met veel moed in 't hart,
Bij jongens naar hun zin
(refr.)
-
Met ijskot en méé schaatsen,
De jongens vol van streken
Was 't jong gespan ter plaatse.
Die mochten hen wel steken.
(refr.)
-
Wat hadden zij plezier
Verenigd in de min
Ze reden zo vol zwier
Zo zakten zij daarin
(refr.)
-
Wa waren 't vieze snaken
Wa was da koel aan 't buiksken
Maar hoorde daar niets kraken.
Ze scheirden aan 'n struiksken
(refr.)
-
Het minnevuur gekoeld
De klok sloeg halverdrij
En alles afgespoeld
Dan zag men op een rij
(refr.)
-
Zo kwamen zij naar boven
Zes waterratten vluchten
Met hunnen kouden oven.
Al door de koude luchten.
(refr.)
-
En broek en rok vloog uit
Wa prijs de visch nu is
te bibbren lijk 'ne puit
Ne frank of acht voor zes
(refr.)
-
Zo stonden z'in hun vaantje
Daarbij twee grote snoeken
't en was geen leutig standje.
Wa wilde nog gaan zoeken.
(refr. )
-
Refrein.
Hebt gij soms iets vandoen
Boemla lala
Komt dan maar na den noen
Wij zijn de mannen
van de Boemlala
Elisabeth bestelt hem
'k Geef radio van Velthem.
Boemlala.
Dit is een echte gebeurtenis,
waarbij zowat de vooruitstrevende Zogse jeugd van toen
betrokken was, en het eerst warm en daarna koud
hadden. Velen zullen zich nog dit feit herinneren, en
er nog pret aan beleven.
De tekst van dit liedje werd ons
overgemaakt door Cesarine Bogaert;
door
Jerome Vercammen