Zogge - Heemkunde

Naar een boek samengesteld door Cyriel Vercammen:

ZOGGE van verleden tot heden
Home Zogge
Het boek Heden Retro Site map Gastenboek Gazet van Zogge  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Heemkunde

De Moernen

Een artikel, overgenomen uit het tijdschrift "Ons Dorp". Deze artikels worden gepubliceerd met het akkoord van de nabestaanden van Dhr. Jerome Vercammen.

 

De Moeren of de Moernen, een opname van MJ Vercammen

De "Moernen" zoals in de volksmond gezegd was in het oude Zogge een plaats met veel bedrijvigheid.

Het was, en is nu nog, een laaggelegen gedeelte van een 50 tal Ha groot; met hooimeersen en sloten dat  door een afvoerbeek in verbinding staat met Vliet en Schelde. Toen was deze machtige en prachtige vloed, zoals zij bezongen werd, nog zuiver, en was ook de beek naar de Vliet een murmelende prachtige waterloop, zoals in gedichten beschreven.

Langs deze beek kwam in het voorjaar, van de toen visrijke Schelde, allerlei soorten vis, paling, snoek, lauw enzovoort naar de Moernesloten, die op hun beurt dan ook visrijk werden. De beek en Moernesloten waren toen een plezier voor de visliefhebbers.

Kruisnetten

Men viste met kruisnetten. Dat bestond uit een net gespannen aan twee gekruiste takken, vandaar de naam: kruisnet. Dit net was dan verbonden aan een zwaardere tak die dienst deed als hefboom waarmede het kruisnet te water werd gelaten, en met een koord aan de hefboomtak weer werd opgetrokken, en zo kwam dan af en toe een paling op het net te liggen of ook andere bovenvis; maar het was inzonderheid om de paling te doen. De gekruiste takken, kruisnetbeugels genoemd, werden zelf door de vissers vervaardigd; ook de kruisnetten werden door hen zelf vervaardigd, want allen kenden de kunst om netten te breien. Dat nettenbreien gebeurde dan meestal bij de lange winteravonden, en in die tijd werden ontelbare uren gesleten aan het nettenbreien met de hand. In deze tijd zou een dergelijke met de hand vervaardigd net een aardige som kosten.. Maar in die tijd was arbeid niet zo duur, en men deed het met plezier.

's Zomers dan bij warme avonden zag men de visliefhebbers met kruisnetbeugels over de schouders en met vismandje of emmer naar de Moernen trekken, om in de visrijke sloten te vissen met kruisnetten.

Bil warm weder duurde dat soms de hele nacht. Bij warme nachten waren er soms wel 20 of meer kruisnetvissers in de Moernen, en het ging r dan ook teer lustig aan toe. Er werd bier meegenomen en ook wel eens een kruik jenever die toen vrij verkocht werd, en in die tijd veel gedronken.

Zo waren onze vissers dan soms vrolijk gestemd en de ene had al een betere dan de andere. Zo is er een anekdote:

Marin Goossens, bij onze ouderen nog goed gekend ging ook af en toe kruisnetten. Op een warme meinacht was hij er weer op uit­getrokken en had de jeneverfles meegenomen. En ja, de vangst ging goed. Meerdere extra grote palingen waren in zijn net gekomen. Elke keer als hij zijn net ophaalde had hij vangst terwijl zijn makkers weinig of niets konden vangen; het was als een wonderbare visvangst. Hij nee dan telkens naar zijn makkers: Weer een grote”. En ja , bij zulk een vangst was het begrijpelijk dat de jenever­fles goed aangesproken werd. Hij had zo al een ganse emmer paling die nevens hem op de rand van de sloot was geplaatst. Maar door al dat getoeter aan de jeneverfles was hij wel praatlustig, maar niet meer zo zelfzeker. En toen hij weer zijn net optrok gleed hij omver. In zijn val stootte hij zijn emmer paling in de sloot. Nu hoorden zijn makkers hem niet meer roepen "Ik heb er weer één" Maar waren het van die grote woorden, die men vloeken noemt. Zijn makkers kwamen toegelopen en zagen het onheil en ook de oorzaak ervan. Was er eerst gedronken op de goede vangst, dan nu maar ge­dronken om het onheil te vergeten. Ook zijn makkers hielpen de fles leegdrinken. Zo kwamen tegen de ochtend enkele kruinetvissers zwaar beladen met kruisnetbeugels, maar geen vis, zig-zag van de Moernen. Marin zijn Rosalie die een goede vangst had verwacht had reeds de pan gereed gezet, maar keek toch maar sip toen haar Marin zonder vis kwam binnenstrompelen. Dit is maar één van de vele dergelijke voorvallen in de Moernen.

Hooitijd

In mei en juni was het dan de hooitijd. De Moernen was vroeger een grote vlakte van hooimeersen doorsneden met sloten. Er waren toen nog geen bossen of struikgewas zoals nu, deze beplantingen zijn pas later gekomen. Deze hooimeersen werden door de landbouwers van die tijd goed onderhouden. Alle jaren werden de sloten gekuist en de meersen goed bewerkt, zodat er steeds veel hooigras was. Van 3 à 4 uur 's morgens waren sterke boerenzonen en hoeveknechten met de zeis doende het gras te maaien. Men was fier goed te kunnen maaien, want goede maaiers werden zeer op prijs gesteld. Van de vroege ochtend hoorde men dan ook de maaiers die met een speciale hamer hun zeis klopten om er een goede snede aan te krijgen, want dat was van zeer (;root belang. Dit zeisgeklop was van ver te horen en klonk als het ware als een beiaardspel. Thans hoort men in de hooitijd enkel motorengeronk. Het was toen zo anders. Alles moest met de hand en met mankracht gebeuren. Gymnastiek was overbodig, die hadden onze voorvaderen genoeg.

Onder het maaien op de meers werd het zeis aangescherpt met de wetsteen. Dat zeis wetten had dan ook weer een geluid. Dat alles door mekaar hing als muziek in de lucht. Eens de meersen gemaaid kwam dan het drogen van het hooi. Mannen en vrouwen togen naar de Moernen met gaffels, tweetanden en drietanden, en houten raken (rijf). Ze hadden ook stenen kruiken bier bij, dat dan op een koele plaats werd bewaard. In de brandende zon word dan het hooi gespreid en na een uur of twee weer eens gekeerd. Alles handwerk en tussen­door werd ook de bierkan aangesproken. Het kwam ook meermaals tot stoeipartijen tussen jonge mannen, meisjes en vrouwen, dat wel eens uitgroeide tot een vrijerij. Zo was er ondanks de zware arbeid toch nog pret en vermaak.

In de namiddag werd dan door de boerin een grote korf eten op de meers gebracht, en weer in een gezellig samenzijn werd in open gezonde lucht, op een lommerrijke plaats smakelijk gegeten, want het was nog goed boerenbrood met het goede spek en hesp van toen. Onze mannen en vrouwen van toen waren natuurlijk kerngezond en hadden een grote eetlust. Maar soms gebeurde het dat het hooi open lag en men verrast werd door een onweer.

Dan moest met man en macht gewerkt worden om alles bijeen te brengen en in oppers te zetten; om dan na het onweer alles opnieuw in de zon open te gooien. En eindelijk, eens droog werd het hooi met karren en wagens naar huis gehaalde Men plaatste grote tuinen voor en achter op de kar om hoog te kunnen laden. Plet hoog opgestapeld hooi werd den met een lange reep vastgebonden (gehoeld) en werd opgespannen met een "hoelkraan". Het was anders in die tijd; nu wordt het hooi machinaal op het veld in bundels geperst; maar toen werd alles los op de kar of de wagen geladen. Zo werd het dan naar de hoeve gevoerd, waar het werd opgeborgen op hooischelven. Dat was een bergplaats boven de koeienstallen en andere. Dit hooi opbergen was dan ook bij warm weder weer een lastig werk. Kleinere jongens: en meisjes moesten dan op de hooischelf om het hooi vast aan te trappen. Hooi “djampelen” noemde men dat dan. En weer kwam het dan in het hooi tot stoeipartijen en vrijages. Eindelijk het hooi binnen was het dan op de hoeve een groot feest waar het dan ook vrolijk aan toe ging. Ik kan U verzekeren dat uit de Moernen grote karrenvrachten hooi naar de hoeven gebracht werden. Want zoals het reeds werd vermeld waren de Moernen toen een vlakte zonder bomen, doorsneden met visrijke sloten.

Moelders en afhozers

 

De Moeren of de Moernen, een opname van MJ Vercammen

Eens het hooi af en gedroogd waren de sloten door de vorderende zomer en droogte op een laag peil gekomen. Dan kwam er een ander soort vissers dan kruisnetters op de proppen namelijk zoals in de volksmond gezegd: de moelders en afhozers. “Moelen” zoals men het noemde bestond hierin: men koos in de sloten een plaats waar men vermoedde dat er veel vis was. Met een slechte broek aan ging men in de sloot en plaatste in de sloot een afdamming met lis en ander vuil, samengehouden met wat modder. Dit was niet waterdicht, maar wel visdicht. Men noemde dit “een slodderdam”. Dan gingen de vissers met een schop door het water en schepten in de modder en roerden zo het water om tot het vuil werd. Door dit vuile water kwam de vis dan aan de oppervlakte en werd met een mand uit het water geschept. Zo werden grote partijen vis gevangen, snoeken van 1 à 2 kilo, ook lauw en andere vis waren geen zeldzaam,heid. Dit soort vissen noemde men "moelen".

Dan was er ook het afhozen. Dat ging zo: evenals bij het moelen werd door de sloot een dam geplaatst, maar dan geen slodderdam. Wel een sterke dam, versterkt met takken en ander zwaar ma­terieel, zodat hij sterk en waterdicht was. Dan werd in het water gegaan en met emmers werd het water over de dam uit de sloot gezet tot deze bijna ledig was. Zo kwam de vis dan op het droge te liggen en kon men hem zonder moeite vangen. Dit hozen had een voordeel. Met het moelen zoals hoger beschreven had men wel de bovenvis zoals snoek enzovoort maar geen paling. Met afhozen kwam de modder bloot te liggen en dan gingen onze vissers in de modder ploeteren. Men noemde dat dan “de modder keren”. De paling die zich in de modder verstopte werd zo opgespoord en gevangen. En ja, in de Noemen was veel paling en soms werden er dan grote exemplaren uit de modder gehaald. Dit afhozen was zwaar werk maar het loonde de moeite want grote partijen paling werden gevangen. Dit afhozen en moelen gebeurde meestal 's zondags en van in de vroege morgen was men dan aan de slag om de afdamming gereed te krijgen, en wanneer dan zulk een ploeg vissers aan het werk was ging omzeggens iedereen van Zogge naar de Moernen kijken. Het was er steeds jolig en er werd heel wat geroepen als een grote vis of paling gezien werd. De gevangen vis werd in een put, gegraven op de meers, geplaatst. Door het heen en weer geloop van kijkers en vissers werd soms wel schade veroorzaakt en menig landbouwer was dan ook niet in zijn schik, maar was niet bij machte het te verhinderen. Zo gebeurde het ook wel een dat als de sloot bijna ledig geschept was, de dam het begaf en doorbrak, zodat de bijna lege sloot terug vol water liep, zoiets was een ramp voor de vissers. In zulk geval werd dan met man en macht gewerkt, zoals bij een overstroming, om het gat te dichten. Zo werden de Moerenen bijna elk jaar door de kruisnetters, de moelders en afhozers van alle vis ontdaan. Maar geen nood. Door de beek van de vliet kwam vanuit de Schelde steeds nieuwe vis en paling.
Maar nu is de Schelde geen machtige en prachtige vloed mee. Door onze onze "moderne tijden" is de Schelde nu een machtige en stinkende vloed, waarin geen leven meer mogelijk is. En meteen is de visvangst in de Moernen ook gedaan na misschien meerdere eeuwen een rijk viswater geweest te zijn. Tot daar onze moderne vooruit­gang.

Vlastijd

En dan in juni kwam de vlastijd. Het vlas was in het oude Zogge, onze gewesten en in gans het.land een grote bedrijvigheid. Elke landbouwer in die tijd verbouwde vlas, wat veel werk met zich meebracht. Het vlas was rijp in juni. Het werd met de hand uitgetrokken en in bussels (bundels) bij elkaar gebonden; in de volksmond noemde men dat de “slijttijd”. Het vlas uittrekken was in de volksmond: “slijten”, alles gebeurde toen met de hand. Op het vlas stonden, wanneer het rijp was, bovenaan ronde bolletjes, die “knepperen” genoemd werden.
In deze slijttijd was het weer druk in de Moernen. De bussels vlas werden met karren en wagens van het veld naar de Moernen gebracht, waar het vlas van de zaadbolletjes (knepperen) werd ontdaan. Dit geschiedde met een streep, een zwaar houten blok waar pinnen van 50cm lang, naast elkaar geplaatst, uitstaken. Deze streep met stalen pinnen was dan op een langwerpige bank geplaatst waar een man op zat, die dan telkens met een handvol vlas in de stalen pinnen sloeg en terugtrok zodat de knepperen er af gestroopt werden. Dit, van de knepperen ontdane vlas, werd dan in kleine bussels gebonden, die zo gereed waren om in het water te worden gelegd. Dit in het water leggen van vlas noemde men “vlasroten”, dit moest gebeuren om het vlasweefsel los te krijgen van de stengel. Zo waren er in de Moernen wel speciale vlasrootputten, die “vlasroten” genoemd werden. De mannen gingen dan, weer met een slechte broek aan, te water. De van knepperen ontdane vlasbusseltjes werden dan ordelijk in de rootput geplaatst en bedekt met modder, tot de rootput vol was. Daarna werden er nog emmers met water bovenop gezet, zodat het vlas goed onder water zat. Dat moest dan zo enkele dagen onder water blijven. Dan togen de mannen weer te water om er het vlas uit te halen. Dit. werkje was niet zo leuk, want het water en het vlas verspreidden een onaangename geur. Maar geen nood, na dit vuile werk gingen de mannen in de sloten van de Moernen een bad nemen en hielden een zwempartij.

 Zwemwater

Bepaalde sloten waren bekend als zwemplaatsen. Zo was er een grote sloot, Balsloot genoemd, en ook nog een andere sloot de Lauwgracht genoemd. Deze waren beide zwemplaatsen. Daar de sloten elk jaar gereinigd en goed onderhouden werden bleven ook deze zuivere zwem­plaatsen goed intact. Bij warm weder gingen onze bengels en ook de groteren naar de zwemplaats om er te stoeien en te zwemmen. Maar voor meisjes en vrouwen waren deze zwemplaatsen taboe. Het was enkel voor jongens en mannen.
Nu is dat ook al gedaan, de sloten vervuilen, worden niet meer gekuist en zijn niet diep genoeg meer.

Slijttijd

Eens dan het vlas uit de roten werd het terug laar het veld gevoerd waar het op weiden en stoppelland werd opengespreid om te drogen. Dat was het zogenaamde "vlasleggen". Er was dan ook nog het “vlas keren”, dat erin bestond: een lange tak (keerpets) onder het vlas te schuiven, zo werd het dan omgekeerd om de andere kant te laten drogen. Na enkele tijd was het vlas droog, en bij een warme droge dag werd het terug opgeraapt (vlasrapen) en opnieuw in bussels gebonden. Het was toen klaar om van zijn vezels ontdaan te worden, wat weerom een hele geschiedenis is. Hierop komen wij later nog eens terug. Zo was het dan ook in de slijttijd zeer bedrijvig in de Moernen, mannen en vrouwen, meisjes en jongens waren weer druk in de weer, en on­danks de zware arbeid was er veel jolijt en plezier. Het was een een­voudig en natuurlijk geluk dat men thans niet meer kent.

Toemaat

Na deze periode was er dan weer hooitijd, namelijk de tijd van de tweede grassneden. Deze snede werd ”toemaat” genaamd. Het woord is overduidelijk. Er was reeds een grote hooivoorraad geweest en deze tweede was dus toemaat. Weer kwamen de zeisen er aan te pas en begon het hooigedoe opnieuw. Wel in mindere mate daar deze opbrengst niet zo groot was.

Winterpret

En dan was het eindelijk winter. Door de najaarsregens waren de sloten overvol en stonden alle meersen onder water. Het was een hectaren groot wateroppervlak waar wilde eenden en watervogels zaten die er ook 's zomers hadden gebroed. Ze leefden er in een waar paradijs. Maar vele van deze vogels sneuvelden daar ook door meedogenloze pensjagers en jagers, zij kwamen terecht in de braad­pan van moeder de vrouw. Zo was in het oude Zogge de Moernen een zegen voor de arme bewoners, vis en vlees voor de arme man.

Dan kwam de wintervorst en het grote wateroppervlak werd een ijsoppervlak. En dan kwam de ijspret, ja de grote ijsrevue. Jong en oud toog naar de Moernen en zelfs van ver in de omtrek kwam men naar de Moernen met ijsstoelen en schaatsen. Er waren dan ook ware kunstrijders; mannen en vrouwen die met hart en ziel ijspret beleefden en weer werd er gestoeid en kwam het ook tot vrijerij. Er was ook een uithoek van de Moernen, het Gierken genaamd, waar enige bebossing was, en daar was het een geschikte plaats voor vrijerij. Daar vonden ze dan elkaar om hun liefde te verklaren.
Maar tussen die bebossing was het ijs dan ook weer niet zo sterk. Het is dan ook wel gebeurd dat vrijende paartjes door het ijs zak­ten en de liefde door het ijskoude water gekoeld werd. Zo is er eens een geval geweest waar destijds de dorpsdichter Roste Mandus van St Anna een liedje had op gemaakt.
De eerste strofe was als volgt:
 

De Moernen lagen hard
En met veel moed in 't hart
Met ijskot en schaatsen
Was 't jonge paar ter plaatse

Na enkele strofen ging het over de liefde en ten slotte luidde het als volgt

Verenigd in de min
Zo zakten zij daarin
dat was dat koel aan 't buiksken
o scharden zij naar een struiksken enz.

Wij hopen U bij volgend nummer het volledige lied te kunnen weer­geven.

Er was zo ook een lied van dezelfde dorpsdichter dat ging over afhozers vissers, wiens dam was doorgebroken, en die dus al het werk voor niets hadden gedaan. Wij hopen U dit in een volgend nummer volledig te kunnen weergeven. Wij vragen dan ook aan onze leden die er iets van weten ons dit kenbaar te maken.

Schaaltjelopen

En wanneer dan door de weersverandering de dooiperiode intrad was er weer ijspret. Dan togen weer jonge mannen naar de Moernen voor het zogenaamde "schaaltjelopen”.  Het ijs was in deze dooiperi­ode niet meer zo sterk. Desondanks poogde men er toch nog over te lopen. Er waren ware krakken die het waagden over het dooiende ijs te lopen. Steeds waren er dan vele kijklustigen. Nu en dan was er dan toch een die door zijn overmoed in het koude water terechtkwam tot groot jolijt van de kijkers en makkers schaaltjeslopers. Bij de ijs set werkte men omzeggens niet Iedereen wilde er zijn deel van hebben. Het was dan ook iets heel anders dan nu. Onze buitenmensen waren arme maar vrije mensen. Het waren meestal landbouwers en zelfstandigen die wanneer het hun paste maar een vrije vaag namen. Deze generatie van vrije mensen is stilaan aan het verdwijnen en wellicht hadden onze voorouders in hun eenvoud en armoede meer verlofdagen dan nu.

Zo was in het oude Zogge de Moernen een belangrijk deel van het dorpsleven. Nu nog zijn daar de Moernen. Maar het is niet meer hetzelfde. Er is beplanting gekomen, de meersen zijn verdwenen, de sloten zijn er nog maar worden niet meer onderhouden en zijn vervuild. De visstand is verdwenen, de murmelende klare beek naar de vliet is een vuile waterloop geworden waarin geen leven meer mogelijk is. Tijdens de winters wordt er nog geschaatst, maar het hele grote wateroppervlak is weg en daarmee is ook de ijspret verdwenen. De moderne vooruitgang vernietigde het natuurlijke leven.

door Jerome Vercammen.


Parochie | Verenigingen | Zogse agenda  | Weetjes | Dialect | Wandelingen en fietsroutes | Heemkunde

    Copyright © 2003 Virtueel Zogge.   Web: Dany. Mail: info@zogge.be