|
Een artikel, overgenomen uit het tijdschrift "Ons
Dorp". Deze artikels
worden gepubliceerd met het akkoord
van de nabestaanden van Dhr. Jerome Vercammen.
De historie van "Juul achteruit"
Den Binne;
lokaalhouder, had voor het vervoer van de duiven een
goed akkoord met zijn buurman Leonard Vercammen
(Nardjen), dorpsslachter, beenhouwer, afstammeling.
van café "De Paal", beenhouwerij en landbouwbedrijf,
die paard en kar had. Leonard Vercammen, zelf een
verwoede duivenliefhebber, vervoerde dan als het nodig
was de duiven, en als Nardjen belet was, dan was het
den Binne zelf die het paard inspande om de duiven te
vervoeren.

Een foto van Juul Achteruit (in het midden),
de dame links is Maria Vercammen, rechts zie je
Arthur Vercammen. De foto van Juul Achteruit is
getrokken, in St-Niklaas op de wekelijkse markt.
Ze stonden daar alle weken met een vlees kraam,
in het jaar 1924 - foto ingestuurd door Jozef
Vercammen, de informatie omtrent de foto werd
verstrekt door Yvonne Vercammen (90), de tante
van Jozef. |
Zekere dag echter, toen de duiven zeer vroeg weg
moesten versliep den Binne zich. In zeven haasten
snelde hij de hof van Nardjen op, en de stal in om het
paard op te tuigen. Eens het paard in het gareel wou
hij deze vlug uit de stal brengen, maar, wat den Binne
ook deed, het paard wilde niet uit de stal.
Al de lieve woorden van den Binne aan Juul, het paard,
waren niet bij machte het dier
uit de stal te krijgen.
Ten einde raad wekte hij Nardjen, maar samen kregen ze
Juul nog niet buiten. Nardje's vrouw was inmiddels ook
wakker, en raadde hen het beest eerst eten te geven.
Juul at rustig zijn haver, maar..., wou nog niet uit
de stal komen.
Uiteindelijk kwam de dochter des huize, Maria, kijken
wat al dat rumoer betekende, en toen ze alles goed
overzien had, zei ze; "wel stommeriken, ge zijt zeker
nog niet goed wakker, het paard is nog gebonnen !".
En werkelijk, Juul was nog vastgebonden.
Zonder boe of ba te zeggen maakten ze het paard los,
spanden het in, en snel als de
wind reed den Binne met Juul naar Aalst, waar de
duiven dan toch nog tijdig konden gelost worden.
Deze koddige geschiedenis deed
dan ook de ronde op de parochie tot vermaak van jong
en oud. De zogse grapjassen, Juul Bogaert, Kamiel De Wale, Peet van Hiel en konsoorten, waren er
als de kippen bij, en wenden zich tot de toen gekende
dorpsdichter, 'de rosten Mandus' te St.Anna, die er
prompt een liedje op dichtte. Dit liedje werd dan door
Juul Bogaert en zijn trawanten te Zogge gezongen en
verkocht, en spoedig werd het door jong en oud
gezongen, tot groot vermaak van heel het dorp.
Hier
dan het beruchte liedje
JUUL ACHTERUIT
Van het lied in kwestie vond ik
twee versies, de eerste (links) stond in het
tijdschrift "Ons Dorp", waar ook de rest van deze
tekst vandaan komt. De tweede versie (rechts) ontving
ik van Jozef Vercammen, een nazaat van Nard Vercammen.
(nvdr)
|
(wijze: boemlala)
De Wilde Benoni
lag bij zijn Sidonie
Opeens sprong hij uit zijn bedde
De Sidde die vroeg: 'wat hedde?'
Hoort vrouw wat ik u zeg,
de duiven moeten weg,
en zonder hem te kammen
Om 't peird bij Nard Vercammen.
Refrein : Klits
klets de boemlala
Juul achteruit
geef hem nog wat haver
of hij kan er niet meer uit
Boemiala, boemlala
Hij liep recht in
de stal
Ja Juul ik ben hier al
Allé Juul achteruit
hij boterde zijn steertjen
maar Juul wou er niet uit
ge zoudt het toch verdommen
zei den binne, hij wil niet kommen.
En ook kwam
Nardjen af
met haver, 't was geen kaf
Juul die wou wel fretten,
maar toch hem niet verzetten
En Sidonie die bad,
Maria help toch wat
wij weten niet wat
peinzen
ons peerd dat wil niet deinzen.
Zij hadden drie
kwartier gewerkt
dan hadden ze 't gevonden
dat peerd nog stond gebonden
de ketting los gedaan
en Juul wou buiten gaan
zij trokken vieze muilen,
maar zeiden niet wij zijn uilen.
Ne keer dat Juul
was los
dan liep hij lijk ne vos
met den binne en de duiven
dat ze kwamen op tijd los
en de Sidde nam nog een snuif,
|
De Wilde Benonnie (
Duivenlokaal )
lag bij zijn Sidonie.
En opeens sprong hij uit zijn bedde.
En de Side zei wat hebde gij.
Hoort vrouw wat ik u zeg
de duiven moeten, weg.
En zonder hem te kammen ( kaalhoofd )
om paard bij Naard Vercammen.
Hij liep recht in de stal.
“ Ja Jules ik ben er al.
Zij Benonnie tegen ’ t paardje
en ’ t kloterde zijn staartje.
Dan kwam Naardje ook af met
haver
’ t was geen kaf ( mager paard ).
En Jules die wou wel fretten
maar kon hem niet verzetten.
Zo ’ n drei kwartier gewerkt
dan hebben ze bemerkt.
En hebben ze het gevonden
dat ’ t paard nog stond gebonden.
Wanneer dan Jules was los,
dan liep het gelijk een vos.
De Side pakte ne snuife,
de binne voerde de duiven.
Refrein:
Auwe oef auwe op sa sa,
Wij zijn de mannen van den,
Boemlala Boemlala Boemlala
Boemlala
Boemlala Boemlala.
|
Dit lied had grote
inslag te Zogge en omliggende, en het werd een waar
volkslied.
Ook de schoolrakkers zongen het
toen ze naar school gingen. 's Zondagsnachts was het
niet van de lucht en werd het in vrolijk gezelschap
gezongen. Het is jarenlang een pretlied geweest te
Zogge en omliggende.
Wanneer op kermiszaterdag de fanfare speelde op de
kiosk, dan voerden Juul Bogaert, Petrus van Hiel,
Kamiel De Waele en konsoorten het spel op van "Juul
achteruit". Eén van hen had een halster rond het
hoofd, en was vastgebonden aan de kiosk, de anderen
beelden den Binne, Nard Vercammen en Sidonie
uit. Het ging er dan zeer koddig aan
toe, tot groot vermaak van de ganse parochie. Zo was
er af en toe iets koddigs te Zogge.
En waarlijk, er was in de zogezegde armoede van toen
veel meer volksplezier dan nu.
De dorpsdichters
Rosten Mandus, Aloïs Baert, en Emiel De Wilde, hebben
meerdere dorpsliedjes op hun actief, waarop wij in ons
volgende nummer zullen terugkomen.
Wij vragen dan ook
aan onze leden, die nog oude liedjes van vroeger
zouden bezitten, het ons bekend te maken.
Dank bij voorbaat;
Jerome Vercammen
met medewerking van Jules Bogaert. |