Zogge - Dialect

Naar een boek samengesteld door Cyriel Vercammen:

ZOGGE van verleden tot heden
Home Zogge
Het boek Heden Retro Site map Gastenboek Gazet van Zogge  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Het Zogse dialect

Dialectwoorden en in onbruik geraakte woorden.

Een aantal van de woorden die hierna vermeld zijn, werden overgenomen uit een artikel, geschreven door E.P. Julien Segers, verschenen in het tijdschrift "Ons Dorp", Nr; 2, 30 juni 1977.

Verdere bijdragen komen van Jan Vercammen, Dirk Cooreman, Elza Vercammen, Koen Claessens, Marie-Josée Vercammen, Jan & Geert Van der Stockt, Diane & Greta Aendenboom, Bart Laureys, Marijke De Roeck, Rudy Quintelier, Koen Gerlo, Thomas Vermeir, Pater Paul Segers, Karine Van Brussel, Jef De Ridder, Marleen Roggeman, Katleen de Stobbeleir, Katrien De Cock, Julien D'hooge, Eric De Rijcke en Dany Aendenboom.

Deze opsomming (441 stuks) is zeker (nog) niet volledig. Sommige woorden komen ook in andere dialecten voor. Er is ook een kort hoofdstukje over de Zogse spraakkunst.
De woorden staan ongeveer in alfabetische volgorde.

Ken jij nog andere Zogse woorden? Of ben je een andere mening  toegedaan wat de betekenis van sommige woorden aangaat?
Dialecttaal,  is nu eenmaal een "levend" iets............ zolang ze gesproken wordt.
Laat iets van je horen via web@zogge.be.

Ter informatie nog dit::

  • Een doffe e klinkt zoals de e in het woordje we.

  • De klank [ei] heeft in het Zogs dialect een heel "vuile" uitspraak, die achteraan in de keel ligt, zowat tussen een [a] en een [ei]. Denk bvb aan de uitspraak van de klank ai in de naam "Romain". Ook de klank [ij] wordt op die manier uitgesproken wanneer ze aan het eind van een woord komt, zoals bvb 'voorbij', dat klinkt zoals "vurbei"

  • De letter [h] wordt in het Zogse dialect niet uitgesproken. In de lijst met de dialectwoorden staat deze letter wel vermeld, maar louter om de leesbaarheid van de klanknabootsing te verhogen.

Vervolg: Woordenlijst N - Z

Woordenlijst & uitdrukkingen A - M

Nen aan tukker Bejaard mannelijk persoon
  A bajoak Bevestiging; dat is zeker, gebruikt ivm jezelf
vb Goude gij noar (h)uis? Abajoak...
  A bajoos Bevestiging; dat is zeker; gebruikt ivm een vrouw of meerdere personen
vb: Ze zijn zulder zeker zot? A bajoas...
  A bajoat gij Bevestiging; dat is zeker; daar kun je zeker van zijn
  Aberdoan soort vis (kabeljauw?), we denken hier aan de litanie van alle heiligen: "Koster eet gij stokvis?", "Liever aberdaan meneer".
Iets achter 't gat duun iets doen achter iemands rug, zonder dat die persoon het weet
  Achterwoaras vroedvrouw
Een afel een kleine hoeveelheid, een handvol
  affeseren vooruitgaan, affeseer'dou! = haast u!
Dad affeseert gelijk buûneknuûpen niet vooruit gaan
Der edde gei giën affeiren mee Dat zijn uw zaken niet
  afgank diarree
  Af(h)uuësen afdammen van sloot of beek en ze leegscheppen of leegpompen om de erin levende vissen te kunnen vangen (vroeger courante praktijk in Moernen en Gavers)
Au Afkappen zich neerleggen; een dutje doen
  Afkassen doorbreken (van een koord)
  Aflangen term uit het kaarten, een aantal kaarten van de stapel nemen en de overblijvende er bovenop lrggen.
  afspetten tegen zijn zin moeten betalen
  agaa vlug; ik goa da agaa duun = ik ga dat vlug doen
  Alei jong! - Allei gei! uitroep van verbazing, wat zeg je nu?
  Alfantijd Nu en dan, af en toe
  Allei jong! (Uitroep van verbazing) 't is toch niet waar zeker!
  Alles uit balven 't licht plezant feestje
  Alternouase verbazing
  alzeleven gedurende het ganse leven van iemand
  Amelu kleine zoete koekjes (mokjes) op papier (dubbel vel); gemaakt of minstens verkocht in die tijd bij Door Boon.
  Annewuiten Vlaamse gaai
  Appeltrut appelmoes
  As ge over nen duvel spreekt, ziede zijne steïrt over iemand praten als hij juist aankomt
  Auëllam Werkmateriaal, alaam
  Babbeleir, babbeluut soort karamel, lang rond en geel, in een papiertje gewikkeld, werd vroeger verkocht bij Amandine van Wullekens
  bakanst, bekanst bijna
  Bakker vest, waarschijnlijk afkomstig van het woord "baker", iets dat verwarmt.
  Bal snoep, caramel
  Baren 1/ jongensspel, balspel 2/ golven (op zee)
  bassen; gebas blaffen (van een hond); geblaf
  Bedde = baarmoeder (van dier): "ons koe eed eur bedde afgesmeten" (uitstulpen van vagina en baarmoeder na het kalven)
  Bees kus, komt van het Franse "baiser", kussen
  Bekuisen kattenkwaad uithalen; wie heeft dat gedaan of, wie heeft dat bekuist?
  Belet Es er gieën belet? Mag ik binnenkomen?
  Benaad, benalijk bang, schrikwekkend
  berrevoets blootvoets
iemand beschieëd geven iemand een beslissing mededelen
  Beu biejest "gij beu biejest!" scheldwoord, ambetanterik
  beulingen bloedworsten
nen Beun vervelend persoon (man)
  Bieleken prentje
  Bijs schommel
  Bijzen schommelen
  Blaad blauw (De blaa = de blauwe) (Den blaan hoek = de blauwe hoek)
  Blaffetuur vensterluik
  Blak en bluët Open en bloot; in het zicht
  Blikken het tonen van speelkaarten
  bloaren bladeren (zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord); "een zotte bloar": een persoon van het vrouwelijk geslacht die nogal gek doet.
  Bloaskes wijsmauken leugens vertellen
  Blom bloem, in de betekenis van "bloem" om te bakken
Sinneklouase blouas Een opschepper uit St Niklaas
  Blomme bloem, (plant)
  Blomsuiker bloemsuiker, suiker zo fijn als bloem
  Boaël zak in jute
  Boerejongen sterke drank met rozijnen erin, werd vroeger geschonken in de cafés
  Bok zitplaats van de koetsier
  Boktanden wijsheidstanden
  Bolijs ijs met lucht onder ipv water, gevaarlijk om op te schofferdènen!
  Bommen vb: het kan mij nie bommen - het kan mij niks verdommen
  Bonnavra een kleine windhoos gevormd door stof en zand dat rond een verticale as draait
  Bot 1= (gummi)laars 2=platte schop
  Botbal bal om mee te spelen
  Bots als het ware, net, precies, het lijkt wel of: "dad es bots onze Geraar".
  Botten stuiteren (van een bal)
  Botvink (gewone) vink
  boumes, of “baumus” “Herfst” vb: “in den baumes vallen de bloaren van de buemen.”
  Boumesweer = guur najaarsweer (> Sint Bavomis = 1 october)
  Bovijs term uit het kaatsspel, betekent dat de bal buiten is (van het Franse "mauvaise"?)
  Brieën smeren van een boterham
  Brokkelie grote ronde knol, gelijkt wat op biet.
Brokskessuiker klontjessuiker
  Brosselen smossen , iets storten , niet proper zijn
  Bruëdsuiker broodsuiker, klontjessuiker
  Builen gemalen graan verder zuiveren
  Bussem =borstel, bezem, [u] klinkt als een doffe [e]
  buzze beurs, [u] wordt uitgesproken als een doffe [e]
gift maur buzze Gérard komaan, wij gaan ervoor
  Buzzevlieës boterhamworst
  Canasjeir, carnasjeir boekentas (Een vraag over de herkomst van dit woordje leverde volgende commentaar op van Professor Magda Devos van de R.U.G.: Het woord "karnasjeir" is ruim verspreid in de Vlaamse dialecten voor "boekentas'. Als kind heb ik in mijn West-Vlaams kustdialect nooit iets anders gezegd. Het komt uit het Frans, en is afgeleid van het zelfstandig naamwoord "carnet" (d.i. notitieboek, schoolschrift, e.d.) door middel van het achtervoegsel "ière". Een "carnetière" was dus een tas om "carnets", nl. schrijfboeken e.d. op te bergen, net zoals een "cafetière" een toestel is om koffie te zetten. Aangezien het hier om een Frans woord gaat, wordt het in de Vlaamse dialecten op nogal wat verschillende manieren uitgesproken. Terwijl u in Hamme blijkbaar "karnasjeir" zegt, zeggen wij in Klemskerke "kannasjeire", dus zonder de "r".
  Clibber, Clivver, Clebber, klevver in de zin van : ik voel mij niet clibber = ik voel mij niet zo goed; ook nog: bij de pinken, slim
  Collegeballeken, kruisbal, kogel soorten kaatsballen
  Da kan mij nie schillen dat raakt mij niet
hij zit mee den dapperen Hij heeft diarree
  Deizen Achteruit rijden
  deur den band over het algemeen
Nen deurjauger Iemand die veel eet en toch mager blijft
Au Devuëren duen Zijn devueren doen, zijn best doen (van het Franse "devoir")
  Dikkelbeek Ekelbeke
  Dik over dun Hij goat dik over dun: hij neemt de kortste weg
  Djak zeer plooibare bewerkte stok met riem om het paard aan te sporen
  Djakken Krachtig leeggieten van een emmer
  Djèklijster kramsvogel (of koperwiek ?)
nen Djest strekenvent
  Djoeben Een (goedhartige) dommerik
Het is doef het is zwoel (weder)
  doemp; doempen rook; roken
  dougen 1 = duwen, dougdies! = duw eens!    2 = dagen
nen Drijver 1 = een bepaalde manier van opslagen.bij het kaatsen; 2 = iemand die niet thuis kan blijven, die altijd weg is.
  Dulper [u] klinkt als een doffe [e], drempel
  Dust dorst
  dwijës bokkig, boos
  Eirom term gebruikt voor het mennen van een paard: = naar rechts!
giën eiêrde oan den  dijk bringen Niet baten
  Fasjen, fabrien bakkebaarden
  Feep gespleten korenhalm waarmee men fluitgeluiden kon voortbrengen
  Fis bunzing
  Flierefluiter onnozelaar, kwibus
  Flik kopvlees, hoofdvlak, hoofdvlees
  Foelard zijden sjerp voor heren
  Foerre slappe, versleten kaatsbal
  Foers voorvork van een rijwiel
  Frak van het oud-Frankische kledingstuk
  Franse lèster zanglijster
  Frullen een bepaalde manier van opslagen.bij het kaatsen
Ne Fuirel oorveeg
  Fuksen prutsen, niet echt weten waar men mee bezig is, knoeien, “desterren”. Zoals “…Wa zedde nou weer oan’t fuksen?...”
Die ee gaat oan eur gat Dat is een ijdele vrouw
Ei goat er noga e gat vandeur het is een rappe
't gat schuuën hijën Hij eed het gat schuuën : hij ziet zijn kans mooi..
ei geboard va krommen oas hij doet of hij van niets weet
giën geduren emmen geen geduld hebben
neig geïren Heel graag
  Gerdeboe spatbord
  Gereiken Kleine koets (2pers)
  Gerlap schietlap: nog gaud ies uit mijnen gerlap: ga eens uit mijn weg
  Gerre beu gerre = scheldwoord voor vrouw
Hij heeft mij gezjieëkt Hij heeft zijn belofte aan mij niet gehouden, hij heeft mij voor aap laten staan.
  Giedong stuur van een fiets
  Giën affeiren mee emmen zijn je zaken niet
  Giën gas lauten over groeën onmiddellijk beginnen
  Goelen drinken aan de fles op een snelle en dosrtige manier
  Grijzend peiërd opkomende grondnevel (niet zeker)
  Groan raden (groad ies wa data kost); zelfst.naamwoord: graan
  Groenselink groenling (vink)
  Gulder jullie
  (H)aalster soort breidel voor paard, waarschijnlijk van haam (oud-saksisch) = omhulsel
  (H)akkelen stotteren, stamelen
  (H)ammenas inwoonster van de gemeente Hamme
  (H)ammenei'er het mannelijke exemplaar van bovengernoemde
  (H)ank hoge legplank
  (H)emmen hebben
  (H)eps hesp, ham
  (H)euzen Afdak aan de stal
  (H)iët en geriëd gereed voor een plezant feestje
  (H)olleblok klomp
  (H)outen schoen klomp
  (H)uësen hozen, met water gooien
't (H)uisken [ui] klinkt zoals een doffe [e], wc
  Iejegoallig steeds weer, steeds opnieuw, voortdurend  vb ((h)ei stoat stj(h)ei (h)ier iejegoallig = hij staat hier steeds weer
  iejek, iejeken eik (boom), eiken
  iet iets (iet pakken: iets vast nemen)
  ieveranst ergens
  Ijsprekels ijspegels
  Ijsstoel slede
  Jonk jong, e jonk of e'n ei bv. "mee ten dieën es't uk altijd e jonk of een ei!" = het is ook altijd iets
  Jules (op zijn Frans uitspreken) = zuring ( werd vroeger op gekauwd)
  Kadijs ijsje van de kar
  Kakmadam fiere  vrouw, iemand die  hovaardig is, zo iemand werd ook een "schetkont" genoemd
  Kaliesjezap sap gemaakt van zoethoutextract
  Kalle ekster, scheldnaam voor vrouw (gei dwoaze kalle!)
  Kalle(ke) schieten spel waarbij men probeerde om vanop een bepaalde afstand een rechtopstaande houten cilinder met bovenop munten (de inzet) om te gooien.
  Katuit de zondag na kermis
  Kazen kersen; kazelei'er = kerselaar
  Kazliesjen(h)out zoethout
  Keef korf om duiven in te vervoeren
  Keisemieken koolmees
  Kempzoad hennepzaad
  Kerre kar
  Kessen koorts doffe [e]
  keunen kunnen
  Kiezeken vogeltje, kuikentje
  kijës kaars
  Kinkee olielamp (quinqet)
  Kittig haastig
  Klappen praten
  Kletsen krijgen slaag krijgen
  Klou dun touw van hennep (veel gebruikt om vliegers op te laten)
  Kluu'et scheldwoord: onnuujezele kluu'et!
  kneut, kneuten jammeraar, jammeren
  Knoesel enkel (deel van de voet)
  Knossel hutsepot, in de war (in de knossel zitten)
  Kodde Lange houten staak
  Kodden Staart van een dier
Een koe nevest er ver naast
  koas kaas
  Kodde lange rechte tak (om bv.bonen tegen te leiden, dit woord heeft ook de betekenis "staart" (peijerdekodden = paardenstaart)
  Koekeloeren dromerig voor zich uit staren, in gedachten verzonken zijn (wa zitte gij doar te koekeloeren?)
  Koeren Een babbeltje doen met de buren. Vroeger waren er woningen die rondom een gezamelijke binnenplaats, een koer, stonden. Een soort Melrose Place avant la lettre. Het babbeltje met de buren gebeurde meestal op de "koer"
  Koewachterken vogel: zwarte roodstaart of gekraagde roodstaart (?)
  Kolleblomme klaproos
  Koméren kwaad spreken
  Komme(ken) kop(je), tas(je)
  kontrefuuër achterzijde van de schoen
  kontroure da des gieëne kontrouren: dat is geen persoon die graag moeilijk doet.
  Kookas vrouw die gerechten klaarmaakt voor een feest.
  Kooper duiver
  Kopke postzegel
  Kozzen neef
  Krodde waterhoen
  Kuërredans springkoord
  Kutkammen treuzelen (ge moet doar nie stoan “kutkammen” = treuzelen)
  Kuurreblomme klaproos
  Kwèker keep
  Lameinig traag, zagerig
  Lampe-belge (lambels) olielamp
  Lampetten véél en gulzig drinken
  Laweit lawaai
  Laweiten hard roepen, lawaai maken
  lekstok lollie
  Leper lepel
  Liewèèrk veldleeuwerik
  Lijn toom, teugel voor paard
  Loemeken kikkervisje
  Loemerte lommer, schaduw
  Loereken duiken verstoppertje spelen
  Loet ijzeren emmer bevestigd aan houten steel. Een beerloet werd gebruikt om te beerput leeg te scheppen. Ook gebruikt als scheldwoord, in de betekenis van stommerik...wad een loet zijde gij!
der lossendeur er dwars doorheen
  Lou zeelt
  Luir Iets dat in de luir zit = iets dat door elkaar zit. Ook "verluird zijn")
  lurre vleesafval, stuk vet aan vlees
  Malder Meikever
  maleur een ongeluk
  malgree absoluut, hij moet malgree gelijk hijën (hemmen)
  Mangelen wisselen, ruilen
  Mangeneren zich inbeelden, van "s'imaginer"
  Mannemins man
  Marbelane mirabellen, kleine pruimen
  Mariage term uit het kaartspel
op marode op stap gaan
  marotten ??; "Pas op voor de dulle marotten!": een uitdrukking die vroeger gebruikt werd om de kinderen schrik aan te jagen
  Marrebol marbel, van "marmer", ook knikker
  Mastel pistolet met een zeer eigen smaak, in die tijd te koop bij Jef den bakker. Misschien komt het woord van "masteluin", een mengsel van koren en tarwe, of van het Latijnse "mixtelum" = mengsel
  Meelsuiker suiker zo fijn als meel
  Meiren morgen
  Meirged de ochtend
t's meirges 's morgens, 's ochtends
  Meps wesp
  Merrel modderkruiper (klein palingachtig bodemvisje, (vroeger(?) nog gezien in de Gavers)
  Merresjaael, merresjoal smid
  Merrezjiëk Flets of slecht bier
ne merteko 1/ idioot 2/ fluweelboom
  Meuzeleir kneu
  mijërloan merel
  Milze van het Franse millet, vogelgras, lange gele fijne zaadkolven
  Minnegat soort brugje over een gracht om naar een akker te gaan of te rijden
  mitijn soms
  moedermins alliën Helemaal alleen
  Molière lage schoen, vroeger veel gebruikt
  Moor modder
  Moua, mouë made
  Mouter beurse plek op een appel
  Mouternest geheime bergplaats waar de jongens het afgevallen (of afgetrokken) fruit bewaarden om het te laten rijpen.
  Mozzegat Gat in de muur om vuil water af te voeren
  Muër waterketel (Zoeit de muer a? Oe a lank a!)
  Muesen morsen, iets ondeugends doen
  Muilentrekker zuur snoepje
  Muit vogelkooi
  Mulder molenaar, meikever
  Munt onvruchtbare koe
  Mutten [u] klinkt zoals een doffe [e]; kalf, ook spotnaam

Vervolg: Woordenlijst N - Z


Parochie | Verenigingen | Zogse agenda  | Weetjes | Dialect | Wandelingen en fietsroutes | Heemkunde

    Copyright © 2003 Virtueel Zogge.   Web: Dany. Mail: info@zogge.be